DROMEN VANUIT EEN GESTALTTHERAPEUTISCH ZICHT.
Dromen te goeder trouw (deel 1)

Georges Wollants

Dit artikel wil ik plaatsen in het teken van drie citaten.
Het eerste is van Sartre: “Il n’y a pas ... d’images dans la conscience. Mais l’image est un certain type de conscience. L’image est un acte et non une chose. L’image est conscience de quelque chose.” (Sartre, 1936, p.162).
Het tweede en derde citaat kwam ik al grasduinend tegen in een Chinese verhalenbundel: “Pas als de lamp is gedoofd ziet men de maan door het venster”.
En: “Men ziet de door de sneeuw verborgen zilverreiger pas als hij opvliegt.”

1. DROMEN IS EEN MANIER VAN BEWUST ZIJN.

Het citaat van Sartre maakt ons duidelijk dat beelden geen bewustzijnsinhouden zijn. Beelden zijn een manier van bewustzijn, van vatten, van inzien, van gewaar-zijn, en wel een globale, synthetische, samenvattende manier. Zoals Sartre op dezelfde bladzijde schrijft: “Elle (l’image) ne peut entrer dans le courant de la conscience que si est elle-meme synthèse et non élément”. Verbeelden is een manier van zich bewust zijn door middel van beelden die op zich een synthese zijn van “weten”.
Dromen zijn beeldmanifestaties van ons weet-hebben omtrent onszelf en onze relatie met onze wereld, de mensen en de dingen daarin, en hoe we deze relatie beleven. We kunnen deze beeldmanifestaties bekijken en benutten om besef te ontwikkelen van hoe we ons verhouden tot onze levenssituatie en om hierin nieuwe houdingen en gedragsmogelijkheden te ontplooien.
De wijsheid van ons ‘andere bewuste’ is hier aan het werk. Niet mijn bewust-zijn dat ik wakend in de dag van mijn wereld produceer, maar mijn andere manier van bewust-zijn die ik via beelden, o.a. in mijn dromen, gestalte geef.

De droomtoestand lijkt in die zin op alle andere vormen van veranderd bewustzijn, zoals soezen, dagdromen, hypnose, Kathatymes Bilderleben (Leuner), Reve Eveillée (Desoille), sofrologie (Cayecedo), e.d. Al deze vormen hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat ze ons bewust en beperkend denken doorbreken of omzeilen.

2. WE ZIEN DE MAAN PAS DOOR HET VENSTER ALS HET LICHT GEDOOFD IS.

Zoals hypnose is de droom een periode waarin de beperkingen van ons bewust denken, onze referentiekaders en onze overtuigingen, tijdelijk opgeheven worden, zodat we ontvankelijk worden voor andere wijzen van beseffen, die bijdragen tot ander gedrag of andere oplossingen (vrij naar Erickson en Rossi, 1983, p. 19).
Het is m.a.w. wanneer ons verstand (ons licht) gedoofd wordt, wat we de maan zien schijnen door het raam.
De droom geeft ons een raam waardoor we de maan kunnen zien schijnen wanneer de beperkingen van ons logisch denken zijn opgeheven.
Dit beeldend bewustzijn, dat in onze dromen actief is, heeft een eigen logica (ook al is dit hier een verkeerd woord). Het is bij uitstek een synthese-logica, die geen rekening houdt met de gewone manier van denken. Er heerst een andere orde, samenhang of verband dan we met ons gebruikelijk denken direct kunnen achterhalen.
De beelden die zich presenteren kunnen allerlei oorsprong hebben, en kunnen teruggaan tot oude tijden. Ze kunnen refereren naar:
- collectief materiaal, bijvoorbeeld archetypen, die behoren tot eenieders erfgoed, sinds generaties doorgegeven.
- persoonlijk materiaal, eigen belevingen van vroeger die nog steeds binnen ons leven.
- recente gebeurtenissen, die als het ware nog in ons netvlies hangen en nu ten behoeve van onze beeldvorming voor het grijpen liggen.

Dit betekent dat de dromer op de eerste plaats zelf betekenissen associeert wanneer hij naar de beelden uit zijn dromen kijkt. Dat kan eigenlijk niemand in zijn plaats doen.
Een eerste moeilijkheid is dat wij niet gewoon zijn “beeldbesef” te ontwikkelen. Beelddenken wordt in onze samenleving minder gewaardeerd dan rationeel en logisch denken.
Een tweede moeilijkheid is dat, ook al spreekt mijn “geweten”(Met “geweten” bedoel ik hier mijn bewust-zijn - als werkwoord - van datgene wat waar is voor mij, wat bij mij hoort, wat goed voor mij is, mijn besef van hoe ik in de wereld sta, dat weet heeft van het handelen dat daarbij hoort) door mijn droombeelden, ik bij het ontwaken opnieuw bevangen ben door mijn beperkend denken (met mijn gebruikelijke referentiekaders, geloofssysteem, gewoonten, angsten, enz.), waardoor ik deze beeldhandelingen niet begrijp. Ze schijnen namelijk iets anders te beduiden dan ik altijd al ‘gekend’ heb. Ik weet dan niet beter dan dat ze nergens op slaan.
Een derde moeilijkheid is dat, zelfs wanneer ik gevoelig ben voor beeldtaal, en zelfs wanneer ik bereid ben om mijn beperkende denkpatronen los te laten, ik er niet in slaag om mijn gebruikelijk denkpad te verlaten. Het gevaar zit er in dat ik aan mijn droom-handelingen betekenissen ga toekennen die passen bij wat ik al ken. Op die manier kan ik nog verder van huis geraken.

Deze moeilijkheden maken dat ik soms meer met mijn dromen kan doen wanneer ik ze bekijk met iemand die me helpt stil te staan bij mijn beeldhandelen (dat, zoals we straks zeggen, dezelfde thematiek uitwerkt als de thematiek die aan mijn reëel handelen ten grondslag ligt). In dit verband wil ik een kleine wandeling maken met Heidegger en Sartre.

Stil-zijn is een manier van communiceren die mijn vatbaar-zijn verhoogt voor wat ik waarneem en beleef. Stilte doet het gepraat (“das Gerede”) verstommen (Heidegger, 1957, p.152 e.v.) De mens vervalt dikwijls in ‘oneigenlijk’ zijn, d.w.z. ‘zijn’ op een manier dat we het niet zijn (Heidegger). Sartre noemt dit ‘handelen ter kwader trouw’ (La mauvaise Foi, Sartre, 1943, p.82).

De kwade trouw is een vorm van bewustzijn waardoor we de indruk hebben contact te maken met wat we waarnemen en beleven, terwijl we het niet doen. Op die manier verliezen we ons ook aan de wereld en aan de dagelijkse zorgen.
‘Das Gerede’, het verstandelijk gepraat, dient ervoor om de situatie en de fenomenen te benaderen zonder ze te vatten. Het geeft ons de mogelijkheid alles te (be)grijpen zonder het ons werkelijk toe te eigenen. Terwijl we denken contact te hebben met de mensen en de dingen en onze eigen belevingen daarbij, houdt ‘das Gerede’ er ons tegelijk van af. De kwade trouw is meer dan een leugen. Ik ben immers leugenaar en belogene tegelijkertijd. Als leugenaar heb ik daarenboven weet van wat ik voor mezelf verberg en wat mij als belogene uiteindelijk ook verborgen blijft. Wanneer ik bijvoorbeeld zeg dat ik niet bang ben, dan betekent dit tegelijk dat ik de verborgen en ongrijpbare angst in mij op de een of andere manier moet kennen en moet verbergen (ontkennen). Om een gevechtstank in het bos te verbergen moet ik ze vooreerst weten staan, en vervolgens haar kenmerken goed kennen om ze te kunnen verdoezelen. Zo, zegt Sartre, zijn we angst door ze niet te zijn, op een manier dat we het niet zijn.

We kunnen dit blijven uitbreiden met honderden andere items: we zijn vrede op een manier dat we het niet zijn, we zijn agressie op een manier dat we het niet zijn, we zijn verdriet op een manier dat we het niet zijn. Op deze wijze is het moeilijk voor ons om met tegenstellingen om te gaan in ons leven (ik ben verdrietig en ook blij, ik ben laf en ook dapper ...)

Terwijl we doen alsof we het niet zijn, blijft het verborgen stuk wel ons handelen sturen. We zijn oneigenlijk bezig, zegt Heidegger. We ‘vernieten’, zegt Sartre. In de plaats van de energie en de kracht ervan te gebruiken, doen we alsof het er niet is, we ver-krachten en ont-kennen wat we zijn en we gaan er mee om op een manier dat we het niet laten zijn. Daarvoor dient dan al het gepraat.
De ‘nieuwsgierigheid’ verdraait zich tot het steeds opnieuw zoeken van nieuwe stimuli, het opzoeken van steeds nieuwe dingen, niet om er contact mee te maken, maar om voort te doen, voor de opwinding, om niet stil te staan (Cfr. Heidegger, p. 167 e.v.).

Dromen brengen in beeldhandelen datgene onder onze aandacht waar we weet van hebben zonder het te kennen.
Dromen bevorderen in die zin de goede trouw. Ze laten ons zien wat we zijn op een manier dat we het zijn. Ze laten ons de verborgen aspecten zien door de energie ervan in beeldend handelen om te zetten. In die betekenis zijn ze ook een uiting van onze oprechtheid (la sincérité), die volgens Sartre tegenover de kwade trouw staat.

3. DE BEWEGING ONTHULT DE THEMATIEK.

Het is één van de bekende Gestaltwetten dat de beweging een figuur doet uitkomen tegen de achtergrond. We zien de zilverreiger in de sneeuw niet tenzij hij beweegt.
Een mooi voorbeeld is de film waarin een zwartgestipte grijze jachthond getoond wordt tegen een zwartgestipte muur. We zien de jachthond pas wanneer hij beweegt. Pas dan zien we een patroon van met elkaar in verband bewegende zwarte stippen. Dit patroon vormt een geheel dat zich aan onze aandacht opdringt en dat we ‘hond’ noemen.

Dromen vertonen eveneens een patroon van met elkaar verbonden elementen die we pas zullen zien wanneer we op de beweging van het geheel gaan letten. Het heeft geen zin (we komen niet tot zin of betekenis) als we ons blind staren op de vlekken, op de afzonderlijke elementen van de droom. Wat hen verbindt is de actie (de beweging en de richting).
Ook dit beantwoordt aan een oude Gestaltwet: het geheel geeft betekenis aan de delen, het geheel is méér dan de samenstellende delen. De droom is meer dan een reeks afzonderlijke beelden. De beelden zijn zo maar niet toevallig bij elkaar, ze horen thuis in een geheel dat beweegt en dat we ‘droom’ noemen. Het patroon wordt geopenbaard door de beweging die de onderdelen verbindt. Deze beweging is niet toevallig, niet doelloos. Ze heeft een richting. De droom doet zich voor als een geheel, dat een patroon vertoont en beweegt in een richting, m.a.w. de droom doet zich voor als een drama, vormt een bewegend geheel, werkt een thematiek uit, ontwikkelt zich in een richting en loopt af.

4. DE DROOM ALS DRAMA.

Reeds in 1900 heeft Freud gezegd dat de droom in wezen niets anders is dan een andere vorm van denken, die door de slaap mogelijk wordt gemaakt, en waarin de dromer niet denkt, maar beleeft wat hij droomt (Nagera, 1974, p.243-244).
Er is een parallel tussen de droomwereld en de ervaringswereld van de dromer, tussen het droomhandelen en het reële handelen. De droom zet de krachtlijnen daarvan uit in beeldhandelen, zoals een drama doet.

Als Gestalttherapeut ben ik van mening dat een droom het best benaderd wordt als een drama. De droom is een dynamische uiteenzetting en afwikkeling in beeldhandelingen van een grondmotief dat voor de dromer op dat ogenblik van diens leven belangrijk is. Vragen die het contact met de dromen bevorderen zijn: Welke beweging loopt als een rode draad door dit drama ? Wat gebeurt er ? Waar gaat het om ? Wat is het ‘Leitmotiv’ dat als motor van de beweging fungeert ? Waardoor worden de spelers bewogen ? Verschillende dromen in eenzelfde periode zullen wellicht eenzelfde thematiek in beeldhandelingen uitwerken en dus eenzelfde beweging vertonen, zij het in verschillende varianten en vormgevingen.

De therapeut is niet de eerst aangewezen persoon om de beweging, het motief, aan te duiden. De beweging die hij in de droom van een ander ziet kan de zijne zijn.
Wel kan ik als therapeut mijn oor te luisteren leggen en meeproeven hoe de dromer zijn dromen proeft. Als therapeut kan ik de dromer helpen de beweging in zijn droom te zien, er bij stil te staan en verbinding te leggen met zijn handelen in het dagelijks leven.
De beweging vinden in de droom is niet ingewikkeld. Wanneer de dromer vragend naar de droomhandeling kijkt en interpretaties uitstelt, dringt wat zich beweegt aan hem op. Deze beweging zegt de dromer waar hij in zijn leven door bewogen wordt en met welke thematiek hij bezig is. De betekenis die het droomhandelen verder voor de dromer krijgt hangt af van de beweging die hij in zijn dromen vindt. Alle gebeurtenissen, fenomenen en elementen ontlenen daaraan hun plaats en zin.

De omkering in de beweging is vervolgens erg betekenisvol. Dit is ook zo in een toneelstuk of een film. De omkering betekent een draaipunt in het drama. Het is het punt waar de actie keert, waar de thematiek in positieve of negatieve richting wordt uitgewerkt. De droom bijvoorbeeld begint goed, dan gebeurt er iets en van dan af begint de droom slecht te verlopen, of omgekeerd. Dit keerpunt geeft een goed handvat om met de droom voort te werken: Wat doe ik in mijn beeldhandelen vanaf het keerpunt tot het slot ? Waar herken ik in mijn dagelijks handelen gelijkaardig gedrag t.a.v. gelijkaardige thematiek ?

Een voorbeeld om het bovenstaande te illustreren:
Een jonge man droomt regelmatig een beangstigende droom. Hij droomt dat hij slaapt. Alles is rustig. Plots komt een duistere figuur binnen. In de droom ziet hij zichzelf wakker worden en de duistere figuur op hem toekomen. De donkere figuur heeft een mes in de hand en heft zijn arm op ... Telkens breekt de man hier zijn beeldhandelingen af, om badend in het zweet en angstig wakker te worden.
Waar gaat het hier om ? Wat is hier de beweging ? Iemand slaapt, wordt wakker en voelt zich bedreigd. Het keerpunt leidt tegelijk het einde in. De dromer is zo angstig en voelt zich zo bedreigd dat het beeldhandelen wordt stopgezet. Het doek valt bij wijze van spreken voortijdig. Wat doet de dromer na het keerpunt ? Hij stopt het beeldhandelen. Het motief is blijkbaar angst voor wat hij als bedreiging beleeft.

Bij zulke angstdromen vragen therapeuten soms aan de cliënt het beeldhandelen opnieuw in te stellen, de droom te voltooien, met de suggestie dat de bedreigende persoon verdwijnt. Zulke suggestie doet onrecht aan de beweging van de droom. De beweging vraagt om voltooiing, d.w.z. de afwikkeling van een handelingsgegeven dat begonnen is.
De omkering gebeurt op het ogenblik dat de slapende persoon in de droom wakker wordt, de bedreiging beleeft en de angst gewaar wordt. Dit moment werkt de dromer niet uit. Hij gaat weg van deze angst voor wat hij als bedreiging beleeft door echt wakker te worden.
Wat herkent hij van deze beweging (angst voor wat hem bedreigt) en van dit gedrag (stoppen van wat hij ervaart als een bedreiging) in zijn dagelijks leven?
Contact maken met de angst voor wat hij als bedreiging beleeft kan een eerste stap zijn naar het oplossen van dit gegeven. Dit kan door het focussen op de angstbeleving of door suggesties om de droom in die richting (onder begeleiding) uit te werken. Er zijn trouwens nog andere mogelijkheden. Wanneer de therapeut suggesties doet voor het vervolledigen van een droom, moet hij erop toezien dat deze suggesties de oorspronkelijke beweging respecteren en trouw zijn aan het ingestelde motief. De ontknoping (slot) volgt uit de omkering en houdt belangrijke aanwijzingen in voor de actuele en nabije levenssituatie van de dromer. We gaan er immers van uit dat het beeldhandelen in de droom een weerspiegeling is van het handelen van deze persoon in de realiteit. Een droom komt op tijd. Het is een uitdrukking van waar ik weet van heb zonder het te kennen, en zonder het (al) in handelen om te zetten. De droom biedt ofwel een waarschuwing aan door handelingen te verbeelden die leiden tot een negatieve ontknoping. Ofwel biedt de droom een ontwerp aan van wat we kunnen ontwikkelen door handelingen te verbeelden die leiden tot een positieve ontknoping.

Een waarschuwende droom eindigt slecht (ik heb er een negatieve beleving van) en vertelt mij dat het gedrag dat ik in mijn beeldhandelen vertoon, in de realiteit gewijzigd moet worden.
Een helpende droom eindigt goed (ik heb er een positieve beleving van) en vertelt mij dat het gedrag dat ik in mijn beeldhandelen vertoon, in de realiteit kan omgezet of verstevigd worden.

TOT SLOT.

Evenals de Daseinsanalyse (Medard BOSS) laat de Gestalttherapie de fenomenale droomwereld naar voor treden, de fenomenen zoals ze zich aan de dromer te kennen geven (cfr. Heidegger, 1957, p.35). We willen er niets anders in zien dan wat ze op de eerste plaats voor de cliënt zelf zijn, in diens belevingswereld, en vanuit de wijze waarop hij zich tot deze fenomenen verhoudt.

Zulke fenomenologische benadering van de droom heeft geen behoefte aan ingewikkelde noch aan gestandardiseerde duidingsmechanismen of dieptepsychologische “Traum-arbeit”. Interpretaties worden zolang mogelijk uitgesteld.

Dromen is een zich uit-een-zetten met de situatie, de mensen en de dingen waarmee de dromer verwikkeld is. Dromen moet dus op de eerste plaats interactioneel begrepen worden en niet intrapsychisch geduid worden door een ‘deskundige’.

Dromen zijn te goeder trouw: ze geven een kader van beeldhandelen waarin de dromer tot besef kan komen van wat hij is zonder het te zijn, om dit besef in relatie tot belangrijke thema’s of personen in handelen om te zetten.
Kortom: dromen is communiceren met mezelf in termen van beeldhandelen over mijn handelen in de realiteit.


In het tweede deel van dit artikel wordt voornamelijk ingegaan op de fenomenologische aard van de wijze waarop in Gestalttherapie wordt omgegaan met dromen.


LITERATUUR

BOSS, M., Psychoanalysis and Dasiensanalysis. New York, Basic Books, 1963.
ERICKSON M.H., en ROSSI, E., Exploraties in hypnose-therapie. Deventer, Van loghum slaterus, 1983.
HEIDEGGER, M., Sein und Zeit. Tübingen, Niemeijer, 1957.
NAGERA, H., Psychoanalytische Grundbegriffe. Frankfurt, Fisher Verlag, 1974.
SARTRE, J.P., L’etre et le néant. Paris, Gallimard, 1943.
SARTRE, J.P., L’imagination. Paris, P.U.F., 1936.